Minder trek hebben, wat kilo’s afvallen of minder energie hebben. Het lijkt soms iets wat bij ouder worden of ziekte hoort. Toch kunnen dit signalen zijn van ondervoeding.
Bij ondervoeding krijgt iemand langere tijd minder energie en voedingsstoffen binnen dan het lichaam nodig heeft. Daardoor kan niet alleen het gewicht afnemen, maar ook de spiermassa en kracht. Dagelijkse dingen zoals opstaan, lopen, boodschappen doen of koken kunnen daardoor steeds moeilijker worden.
Waar kun je als familie op letten?
Juist familieleden, vrienden en mantelzorgers merken veranderingen vaak als eerste. Let bijvoorbeeld op:
- onbedoeld gewichtsverlies;
- kleding, een ring of horloge dat ineens losser zit;
- minder trek of maaltijden die vaker blijven staan;
- een lege koelkast óf juist producten die lang blijven liggen;
- meer vermoeidheid en minder kracht;
- moeilijker lopen, traplopen of opstaan;
- moeite met boodschappen doen of koken;
- problemen met kauwen of slikken;
- eet- en drinkmomenten steeds vaker vermijden.
Belangrijk: ook iemand die niet mager is, kan ondervoed zijn. Onbedoeld gewichtsverlies en verlies van spiermassa zijn belangrijke signalen om serieus te nemen.
Zie je iets veranderen? Vraag ernaar
Je hoeft niet meteen met een oplossing te komen. Begin gewoon het gesprek. Bijvoorbeeld: “Het valt me op dat je de laatste tijd minder eet. Klopt dat?” Of vraag hoe het gaat met boodschappen doen, koken, de eetlust en samen eten.
Bij wie kun je terecht?
Denk je dat er sprake kan zijn van ondervoeding? Bespreek dit dan met de huisarts. De huisarts kan beoordelen wat er aan de hand is en zo nodig verder onderzoek doen of verwijzen.
Ook een diëtist kan helpen. Een diëtist beoordeelt de voedingstoestand en kijkt samen met iemand wat nodig is om voldoende energie, eiwitten en andere voedingsstoffen binnen te krijgen.
Zijn er problemen met kauwen of slikken, dan kan ook een logopedist helpen. Daarnaast kunnen bijvoorbeeld een fysiotherapeut, ergotherapeut, tandarts of mondhygiënist betrokken worden als lichamelijke beperkingen of gebitsproblemen een rol spelen.
Is er al thuiszorg, wijkverpleging of een andere zorgprofessional betrokken? Geef je signalen dan ook daar door. Zij kunnen veranderingen in gewicht, eten, drinken en functioneren meenemen in hun beoordeling en waar nodig afstemmen met andere zorgverleners.
Ook professionals in het sociaal domein, zoals huishoudelijke hulp, welzijnsmedewerkers of een Wmo-consulent, kunnen signalen herkennen en helpen om de juiste ondersteuning in te schakelen.
Twijfel je? Trek liever op tijd aan de bel. Vroeg signaleren kan helpen om verdere achteruitgang te voorkomen.